Nog maar enkele jaren geleden was kunstmatige intelligentie (Artificial Intelligence – AI) meer een idee dan dat het werkelijkheid was, maar tegenwoordig is het concept al niet meer uit ons leven weg te denken. Voice assistants op onze smartphone bijvoorbeeld  beantwoorden onze hardop uitgesproken vragen. Ze kunnen voordelige vluchten zoeken of de lichten in de woonkamer dimmen. En tussen duizenden vakantiefoto’s kan AI-software heel gemakkelijk de gezichten van onze vrienden en familie vinden. Autonome voertuigen – al bevinden ze zich nog in de testfase – rijden al door sommige steden en op snelwegen, daarbij zelfstandig beslissingen nemend.

Dit alles klinkt veelbelovend, en inderdaad is er alle reden om hoopvol gestemd te zijn. In plaats van een voorgedefinieerde reeks commando’s uit te voeren, maken systemen die werken op basis van kunstmatige intelligentie gebruik van zogeheten neurale netwerken, gemodelleerd naar het menselijk brein: lerend door ervaring, en real-time steeds beter wordend. Hoe meer we shoppen, films kijken of wat dan ook, hoe beter de suggesties van een AI-product worden. Sommige mensen voelen zich bij dit soort precisie op maat niet helemaal gemakkelijk, omdat het lijkt alsof ze voortdurend geobserveerd worden. Aan de andere kant vinden mensen het ook prettig om assistentie te krijgen als ze even niet weten wat te doen of als ze haast hebben. “Watson” bijvoorbeeld, het door IBM ontwikkelde cloudgebaseerde cognitieve systeem dat getraind is op enorme hoeveelheden data, helpt nu al artsen om betere diagnoses te stellen, en verzekeringsmaatschappijen om risico’s beter in te schatten, en meteorologen om de weersverwachtingen steeds nauwkeuriger te maken.

Reacties zijn uitgeschakeld voor dit artikel